Pragmatiek: Verhaalopbouw

Zeker voor deze doelgroep is het van essentieel belang om structuur aan te brengen in een verhaal en ze te helpen om deze structuur zelf te leren herkennen of aan te brengen. Met behulp van een structuur kunnen kinderen zich beter concentreren op de inhoud, zullen ze meer begrijpen van het verhaal. Een structuur helpt bij het oriënteren, want daar hebben kinderen vaak moeite mee. Samen met een collega heb ik het boek 'De Rommelige Reus' op NT2-wijze bewerkt. De directe leerdoelen voor deze les staan hieronder. Deze leerdoelen zijn afgeleid van het indirecte-leerdoel. Voorwaarde voor het succesvol geven van deze les is dat de kinderen de woorden wel kennen. Anders kunnen zij het verhaal niet volgen. Kennen de kinderen de woorden niet, dan moet deze les worden uitgesteld. De woorden zullen dan eerst aangeboden moeten worden volgens de NT2-didactiek. 

Leerdoel-direct

  • Het kind kan een eenvoudig voorgelezen of verteld verhaal begrijpen.
  • Het kind kan hoofdzaken uit de tekst halen (kop, kern, slot).
  • Het kind herkent de fases van het verhaal.
  • Het kind kan aangeven welke gebeurtenissen of personages in welk van de drie onderdelen (kop-kern-staart) thuishoren.

Leerdoel–indirect

  • Het kind kan luisteren naar eenvoudige teksten over alledaagse, concrete onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld van de leerling.

 

 

 

Nadat het verhaal is voorgelezen, leggen de kinderen de uitgeknipte en geplastificeerde figuren uit het verhaal bij het juiste onderdeel van de structuur.

De hoofdpersoon, waar het verhaal mee begint, komt bij de kop. Als de hoofdpersoon uiteindelijk weer lekker rommelig is geworden, is dat het einde, dus de staart. Alle gebeurtenissen daartussenin, vormen de kern. De kinderen begrepen dit heel goed. Omdat we dit in de kring aanboden, ziet de helft van de kinderen de vis op zijn kop. De kop hoort natuurlijk links te liggen, in de leesrichting. 

Het is van belang dat dit niet bij een eenmalige actie blijft, want dat heeft geen zin. Alle verhalen hebben een kop, kern en staart. Kom hier vaak op terug. Refereer aan de krachtige metafoor: de VIS. De kinderen weten dan meteen wat je van hen verlangt. 

 

Er zijn legio verwerkingsactiviteiten te bedenken. Ook bij coöperatieve werkvormen, zoals Stijgen/Dalen, kunnen deze figuren worden ingezet. De kinderen kunnen ook het verhaal na vertellen door de figuren in de juiste volgorde te leggen. Of misschien kunnen ze wel een heel nieuw plot bedenken!